HOOFDSTUK 3
Afdeling 1
§ 2. Het gerechtelijk onderdeel
A. De plaats van het slachtoffer in het strafproces
"Het slachtoffer lijdt nog sterker onder het misdrijf dan de samenleving die een abstractie is namens welke recht wordt gesproken" (1).
(1) M. FRANCHIMONT, La victime dans le procès pénal, JT, 1997, blz. 121
1. Een gelijklopende boodschap
In de diverse onderzoeken geven de verschillende slachtoffers ons een overeenstemmende boodschap.
a) Een matige opvang
Of het nu gaat om ouders of vrienden, de slachtoffers werden met dezelfde situatie geconfronteerd. Voor een aantal onder hen was de opvang maar matig, zelfs ronduit onaangenaam. In het dossier Loubna Benaïssa kwam het taalprobleem als een belemmering voor de communicatie naar voren, wat in een multiculturele stad als Brussel problemen schept.
Luidens artikel 46 van de wet van 5 augustus 1992 over het politieambt "brengen de politiediensten de personen die om hulp of bijstand verzoeken in contact met gespecialiseerde diensten. Zij staan de slachtoffers van misdrijven bij, onder meer door hen de nodige informatie te verschaffen". Die wettelijke bepaling werd in de diverse dossiers blijkbaar op een uiteenlopende manier nageleefd. Aangestipt zij dat de circulaire openbare orde/ordre public van 29 maart 1994 van de minister van Binnenlandse Zaken preciseert hoe die bijstand moet worden opgevat.
b) Een zekere vorm van marginalisering
In de loop van het onderzoek of van het "non-onderzoek" werden de slachtoffers vaak geïnfantiliseerd, ontmanteld, en bleven ze van iedere verantwoordelijkheid verstoken. De diverse actoren van het gerechtelijk systeem, met uitzondering ongetwijfeld van de politiemensen die dichtbij de burger staan, vertolken in hun houding het standpunt dat in het strafrecht nog steeds geldt en op grond waarvan het slachtoffer geen plaats in het geding krijgt.
Contacten met de rechterlijke overheid waren zeldzaam en vluchtig. In het dossier Julie en Mélissa ging het om minder dan een tiental contacten, wat belachelijk lijkt. De familie Benaïssa heeft nagenoeg geen enkel contact met de substituten van het parket te Brussel gehad. Daarenboven is het niet normaal dat slachtoffers soms wekenlang moeten wachten vooraleer ze contact kunnen opnemen met de mensen die het onderzoek leiden. In Nederland moet degene die het onderzoek leidt in een proces-verbaal vermelden wat hij inzake slachtofferhulp gedaan heeft.
Hoeft het dan te verbazen dat de slachtoffers, tegen die achtergrond, hun toevlucht nemen tot parallelle onderzoeken ? De getuigenissen van de moeder van Mélissa die in de commissie werden gehoord, wegen zwaar door : wat moeten de door angst en pijn verteerde ouders doen ? Niets, ze moeten wachten, vertrouwen schenken, steeds weer. Maar de ouders willen optreden, zoeken, meewerken. Hun een lijdzame en afwachtende houding willen opleggen is onmenselijk en nutteloos.
c) Wie spreekt een oordeel uit over hun belang ?
In de logische lijn van het inquisitioneel systeem menen de gerechtelijke overheidsinstanties de tolk te zijn van het belang van de slachtoffers. Hoe lovenswaardig ook, zo'n een houding stelt problemen. Twee voorbeelden ter illustratie.
Om de "vrede in het huisgezin" te bewaren zeggen de onderzoeksrechters aan de families niet dat over hen onderzoeken lopen. In dat soort dossiers gaat de verdenking immers meteen ook naar de gezinsomgeving van het kind. Zou het uiteindelijk niet de voorkeur verdienen, dit feit aan de families te signaleren, hun de waarheid te zeggen veeleer dan het stilzwijgen over die onderzoeken te bewaren, ze dood te zwijgen, en op die manier tot verdenkingen aanleiding te geven ? Een dergelijke houding zou beter inspelen op de verantwoordelijkheidszin van de betrokkenen.
Het andere voorbeeld betreft een zeer delicate aangelegenheid, die in het dossier Julie en Mélissa gerezen is in verband met de aan de onderzoeksrechter door de ouders gerichte vraag om na de autopsie het lichaam van hun kind te mogen zien. Op grond van een daaromtrent ingewonnen advies heeft de onderzoeksrechter hun vraag niet ingewilligd omdat het een onmenselijk schouwspel was. Komt het uiteindelijk niet de ouders zelf toe te oordelen en te beslissen hoe zij hun rouwproces verwerken ? Een aan de parlementaire onderzoekscommissie gezonden brief stelt dat probleem duidelijk : "Een van de vragen van de ouders waarop ze geen antwoord hebben ontvangen slaat op de weigering door de gerechtelijke instanties 1/4 hun kind te mogen zien wanneer zij dat wensten. Die weigering berust, zo lijkt het ons, op een gebrek aan kennis van de noden die rouwende ouders hebben. De noodzaak om zelf het lichaam van de vermiste terug te zien, zelf te identificeren en erbij te waken is een fundamentele behoefte van personen die getroffen worden door de dood van een naaste. Dat is nodig om het rouwproces aan te vangen dat het hun mogelijk maakt aan het verlies te wennen en verder te kunnen leven ... Uit getuigenissen van ouders blijkt het leed, de revolte, de woede en de onmogelijkheid om hun leed te uiten wanneer justitie of de politiediensten verbieden het lichaam van een kind dat verongelukt is of een gewelddadige dood gestorven is, terug te zien. Ouders daarentegen, die dat verbod hebben weten te negeren, vaak aan de hand van een geneeskundig getuigschrift om de aansprakelijkheid van de vertegenwoordigers van het gerecht te dekken, drukken hun voldoening uit over de rust die zij na dat weerzien kenden." (1).
(1) Brief van 19 december 1996 van dokter Jean-Yves Hayez en van dokter Pierre Rousseau.
2. Slachtofferbegeleiding
Politiemensen of magistraten zijn doorgaans geen maatschappelijk werkers of psychologen die speciaal opgeleid zijn om mensen in nood te aanhoren en te ondersteunen. Dat is trouwens de reden waarom binnen ieder parket diensten slachtofferopvang werden opgericht door een ministeriële circulaire van 13 juli 1993. Deze diensten voor slachtofferopvang moeten sensibiliseren, onthalen en bijstaan.
In de onderzochte onderzoeken hebben de diensten voor slachtofferopvang haast geen rol gespeeld. Ofwel bestonden ze niet op het ogenblik van de feiten, ofwel hadden ze niet de materiële mogelijkheden om hun taken waar te maken. Dit laatste was het geval bij de verdwijning van An en Eefje.
Bepaalde grote korpsen hebben ook een dienst voor slachtofferopvang opgericht. Deze diensten geven ondersteuning en vorming aan de politieambtenaren bij hun algemene taak voor slachtofferopvang. Deze taak kan als volgt worden omschreven : onthaal en eerste opvang, het noteren van de wensen van het slachtoffer inzake schadeherstel in het proces-verbaal, het bieden van praktische hulp, verwijzing naar de hulpverlening en informatieverstrekking met betrekking tot onder andere de procedure en tot slot de hercontactname met het slachtoffer. Eindelijk bestaan de diensten voor slachtofferbegeleiding. Zij ressorteren onder de gemeenschappen en verlenen psychisch-sociale hulp aan de slachtoffers.
Een aantal structurele vragen blijven toch actueel. Moeten de diensten slachtofferopvang enerzijds wachten totdat de gezinnen contact met hen opnemen of is het niet aangewezen dat ze eerder op eigen initiatief handelen zonder evenwel een vraag af te dwingen ? Anderzijds hebben een aantal getuigen die door de commissie werden gehoord erop gewezen dat er inzake slachtofferbegeleiding niet zozeer een vacum, maar integendeel een overaanbod is : tal van diensten treden op zonder enige onderlinge coördinatie, met als gevolg versnippering alom veeleer dan reële hulpverlening.
3. Inzagerecht in de dossiers voor de burgerlijke partij
De ouders van Julie en Mélissa hebben meermaals iets gevraagd dat thans elementair lijkt : zij wilden weten hoever het met het onderzoek stond, welke richting het uitging, wat men aan het doen was.
a) Een niet erkend elementair recht
In de huidige stand van het recht, dat wordt overheerst door een inquisitielogica op het einde waarvan het voorbereidende onderzoek eenzijdig is, dus niet tegensprekelijk, heeft de burgerlijke partij geen inzagerecht in het dossier. Ze heeft dus geen inzagerecht in zaken die haar rechtstreeks betreffen. Op die manier wordt het slachtoffer het recht ontzegd kennis te nemen van of het verloop op te volgen van het werk dat voor haar, namens haar en in haar belang wordt gedaan. Geen enkele bepaling van nationaal of internationaal recht kent haar dat recht toe, zelfs niet de artikelen 6.1 of 6.3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boodschap van de moeder van Mélissa aan de commissie is in dat opzicht illustratief voor dit "opzij zetten" van het slachtoffer : "Wij waren het die met ons drama geconfronteerd werden".
In feite kan de burgerlijke partij pas 48 uur voor de zitting van de raadkamer die een uitspraak doet over de procedureregeling, op het einde van het onderzoek dus voor de eerste maal inzage van het dossier krijgen (enig artikel van de wet van 25 oktober 1919). Wordt achteraf bij de kamer van inbeschuldigingstelling beroep aangetekend heeft de burgerlijke partij 10 dagen vĒĒr de zitting (artikel 223 Sv).
b) De discretionaire bevoegdheid van de procureur-generaal
Op grond van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemene regeling over de gerechtsonkosten in strafzaken kan de procureur-generaal evenwel toestaan dat het onderzoeksdossier werd doorgespeeld. Zoals daar tijdens het verhoor van de procureur-generaal van Luik voor de commissie met kracht naar werd verwezen, oefent de procureur-generaal ter zake een discretionaire bevoegdheid uit : hij kan inzage in het dossier weigeren, hij kan het zonder voorbehoud toestaan of daaraan voorwaarden en beperkingen verbinden. Procureur-generaal Velu stelt ter zake het volgende : "Le pouvoir discrétionnaire attribué aux procureurs généraux près les cours d'appel par l'article 125 du règlement général sur les frais de justice en matière répressive n'est pas absolu. Tout pouvoir dans un Etat de droit doit être exercé aux fins pour lesquels la loi le confère
l'autorité qui en est investie." (1). Theoretisch gesproken kan tegen de beslissing van de procureur-generaal dus beroep worden aangetekend. Als zo'n beroep ontvankelijk is, wordt het meestal ongegrond verklaard : aangezien de beslissing van de procureur-generaal discretionnair is, kan alleen een manifest misbruik van het recht, een overmatige bevoegdheid of een omzeilen ervan het mogelijk maken tot de gegrondheid van het beroep te concluderen (2). Uiteindelijk is het slachtoffer dus afhankelijk van de goodwill van de procureur-generaal. De procureur-generaal van Luik gaf de advocaten van de ouders van Julie en Mélissa een beperkt inzagerecht in de dossiers na er de stukken te hebben uitgelicht die het privé-leven van een aantal mensen betrof waarvan de naam in het onderzoek was vermeld. Er werd evenwel beroep aangetekend bij de voorzitter van de rechtbank die zitting houdt in kort geding, maar bij beschikking van 20 december 1995 (3) werd de vraag van de ouders afgewezen.
(1) J. VELU, Représentation et pouvoir judiciaire, Discours prononcé l'audience solennelle de rentrée de la Cour de cassation le 1er septembre 1996, Bruxelles, Bruylant, 1996, blz. 73, nota 162
(2) Brussel, 19 september 1996, JLMB, 1996, 1455-1459.
(3) Burg. Brussel (kort geding), 20 december 1995, Journal de procès, nr 296, blz. 29-30.
In het dossier-Loubna was er tot in augustus 1996 geen enkele advocaat om een dergelijke vraag te formuleren.
B. De gerechtelijke instanties
1. De segmentering in de strafrechtsbedeling
a) De diverse echelons van de strafrechtsbedeling en hun actoren (opsporing en vervolging, gerechtelijk onderzoek, straftoemeting en strafuitvoering) opereren los van elkaar. Er zijn geen dwarsverbindingen die ertoe leiden dat bijvoorbeeld essentiële informatie die determinerend is voor de kwaliteit van de strafrechtsbedeling op het desbetreffend echelon wordt overgemaakt.
Het dossier M. Dutroux vormt terzake een aaneenschakeling van voorbeelden die stuk voor stuk gemiste kansen zijn om hem voortijdig te stoppen in zijn criminele activiteiten.
Zo worden de feiten op de ijspiste van Charleroi in november 1992 door de gemeentepolitie niet overgemaakt aan het parket.
De voorwaardelijke invrijheidstelling van M. Dutroux vertoont op het vlak van de begeleiding een schoolvoorbeeld van verkokering. Er is geen enkele wisselwerking tussen de psychologische en de sociale begeleiding. Er is vanwege de verantwoordelijke arts geen enkele vorm. Essentiële knelpunten zoals het niet onaanzienlijke huizenbezit van M. Dutroux en lacunes zoals het onderbreken van de sociale begeleiding gedurende een lange periode worden niet overgemaakt aan het parket, verantwoordelijk voor de strafuitvoering en voor het toezicht op de uitvoering van de voorwaardelijke invrijheidstelling. In november 1993 blijkt dat M. Dutroux zich schuldig heeft gemaakt aan diefstallen. De magistraten die dit dossier behandelden grijpen de feiten niet aan om de procedure tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling op te starten.
In september 1995 krijgt onderzoeksrechter Lorent in Charleroi een brief - naar achteraf blijkt van de moeder van M. Dutroux - waarin duidelijk wordt gesteld dat hij betrokken is bij de ontvoering van minderjarige meisjes. In weerwil van de gerechtelijke antecedenten van M. Dutroux doet onderzoeksrechter niets met dit schrijven. Hij maakt het over aan een parketmagistraat die ter verificatie de gemeentelijke politie inschakelt en vervolgens niets meer met de brief doet.
In december 1995 wordt M. Dutroux aangehouden wegens diefstal en willekeurige vrijheidsberoving. Opnieuw laat men de gelegenheid voorbijgaan om de herroepingsprocedure van de voorwaardelijke invrijheidstelling in te stellen.
b) Binnen eenzelfde echelon valt het op dat het zich op zaken beperkt tot het eigen arrondissement of nog sterker tot de feiten en het dossier waarvoor men wordt gevat (le morcellement des dossiers en fonction des compétences territoriales). Dit fenomeen werd zowel vastgesteld bij de politie- als bij de justitiediensten.
Zo heeft men zowel in het dossier Loubna als in het dossier Julie en Mélissa (zowel in Luik als in Charleroi) kunnen vaststellen dat binnen eenzelfde dossier magistraten elkaar snel afwisselen (mede door de vakantieperiode). Daarbij gaat de continuïteit in de onderzoeksdaden voor een stuk verloren en wordt aangeleverde informatie niet gepercipieerd zoals het hoort.
De situatie is zeker niet veel beter bij de politiediensten. Tussen de politiediensten onderling is evenzeer sprake van verkokering zeker als het gaat om het afschermen van informatie. Ook daarvan zijn in de onderzochte dossiers meerdere voorbeelden voorhanden.
In de zaak Obaix waren er wel contacten tussen de gerechtelijke politie en de rijkswacht met betrekking tot de mogelijke betrokkenheid van M. Dutroux. De betrokken BOB-er gaf deze informatie echter niet door aan zijn teammaat die het onderzoek tegen Dutroux leidde en waarvan hij wist dat hij reeds maanden op zoek was naar een aanleiding om bij de betrokkene een huiszoeking te doen. Hij zou evenmin gewag gemaakt hebben van de feiten in Obaix gepleegd.
Men kan zich vragen stellen bij de juistheid van de verklaringen van de beide BOB-ers, zeker wat het laatste punt betreft. Hoe dan ook is de rechtvaardiging die voor de commissie werd gegeven, met name dat de zaak Obaix niet langer een dossier van de RW was, een uiting van hogergenoemde erg case-gerichte opstelling.
In de zaak Loubna zijn de drie politiediensten alternerend en in verschillende fasen van het onderzoek tussengekomen. Van enige concrete uitwisseling onderling van nuttige informatie was eigenlijk geen sprake. Elke dienst kwam in de zaak en handelde, mede door het ontbreken van een behoorlijke sturing vanwege het openbaar ministerie, naar eigen inzichten.
In het dossier An en Eefje werd het niet-dringend bericht van opsporing van 24 augustus 1995, een intern rijkswachtbericht, door de betrokken rijkswachtbrigades van Brugge als niet relevant voor eigen onderzoek beoordeeld en a fortiori evenmin als relevant voor andere onderzoeken van andere politiediensten beschouwd.
In het dossier van Sabine werd er door de onderzoekers van Doornik van uitgegaan dat de onderzoekspiste Dutroux door de BOB Charleroi zou worden behandeld. Men vond het niet nodig contact op te nemen met de onderzoekers van Charleroi om zich van een en andere te vergewissen.
c) De segmentering of verkokering is in de Belgische strafrechtsbedeling uitgegroeid tot de regel, veeleer dan de uitzondering.
Dit verontrustend fenomeen ontneemt de strafrechtsbedeling haar kracht vermits deze juist bestaat in het nauw op elkaar aansluiten van de diverse echelons van de strafrechtsbedeling. Binnen elk echelon, en vooral op het niveau van opsporing en vervolging van de misdrijven en op het niveau van de straftoemeting, stelt men bovendien vast dat er zich een cultuur heeft ingenesteld die erin bestaat dat elke dienst of instantie zich bezighoudt met de eigen zaak, zonder oog te hebben voor wat door andere diensten of instanties aan ervaring en informatie werd opgebouwd. De politiediensten beschikken dan wel over een centraal gegevensbestand, tenminste de rijkswacht en de gerechtelijke politie naast APSD. Maar ook bij de politiediensten ontbreekt de bereidheid en dus ook de cultuur om intern en onderling aan gegevensuitwisseling te doen.
De gerechtelijke politie heeft de rol van steundienst die vroeger door het Commissariaat-generaal werd waargenomen, overgeheveld naar APSD. Daardoor is het probleemveld van het gebrek aan bundeling van informatie, verkleind. APSD en rijkswacht (CBO) blijven echter teveel naast elkaar werken en betwisten elkaar het monopolie van bepaalde informatiebestanden.
Een duidelijke structurering dringt zich op, zij het binnen het bredere kader van een hertekening van het politielandschap. Op justitieel niveau ontbreekt voorts elke vorm van gegevensbestand. Dit heeft meerdere, verstrekkende, gevolgen.
Op de eerste plaats zijn de parketten en de onderzoeksrechters bij het geven van leiding aan hun onderzoeken en bij het uitstippelen van de onderzoeksstrategie volledig aangewezen op de informatie die de politiediensten aanleveren. Een ongezonde situatie, die de magistratuur in een afhankelijke situatie plaatst en dus ook hun mogelijkheid om echt leiding te geven hypothekeert.
Ten tweede gaat door deze lacune heel wat informatie en zicht op zaken verloren. Het linken van dossiers aan elkaar, het verwerven van inzicht op de diversifiëring van criminele activiteiten door criminele organisaties, zijn in deze context quasi onhaalbare opdrachten voor magistraten. Men moet daarbij rekening houden met het feit dat criminele organisaties hun activiteiten spreiden over meerdere gerechtelijke arrondissementen en over de landsgrenzen heen. De parketten en de onderzoeksrechters verkeren, door hun territoriale beperktheid (zie verder) en door het ontbreken van een centrale data-base, zelf in de onmogelijkheid om dwarsverbindingen te maken tussen diverse dossiers. Een en ander resulteert in een "saucissonering" van gerechtelijke onderzoeken.
Met deze (des-)organisatie en werkwijze gaan veel relevante gegevens verloren en ontstaan er gaten in het systeem waarvan sommigen zich op een handige manier bedienen om zich te onttrekken aan de opsporing, de vervolging en de strafuitvoering. Dit is zeker het geval voor de meer georganiseerde vormen van criminaliteit en a fortiori voor de georganiseerde criminaliteit.
2. Het parket
Artikel 138 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1 van de wet van 17 april 1878 houdende de inleidende titel van het wetboek van strafvordering vertrouwt de uitoefening van de strafvordering rechtstreeks toe aan het openbaar ministerie. Het parket speelt dus een essentiële en overwegende rol bij de uitoefening van de strafvordering.
a) Het parket is één en ondeelbaar
De eenheid bestaat in de concentratie in handen van de procureur-generaal bij het Hof van beroep van de leiding van de activiteiten van alle magistraten van de parketten in het rechtsgebied van het hof (artikel 143 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering). Bij de diverse onderzoeken was die leiding (zeer, veel te) discreet, zeg maar practisch onbestaande. De parketten-generaal staan te ver van de concrete problemen en van de realiteit van de parket-magistraten.
De ondeelbaarheid bestaat in de afwezigheid van ieder onderscheid of verdeling tussen de magistraten van het openbaar ministerie. Zij kunnen elkaar dus in dezelfde zaak vervangen. "Dat beginsel is gerechtvaardigd door de overweging dat de magistraten van het openbaar ministerie, binnen de grenzen van hun wettelijke bevoegdheden, nooit in eigen naam optreden maar in die van het parket waaronder zij ressorteren; hun persoonlijkheid is niet te onderscheiden van de rechtspersoon die gevormd wordt door alle magistraten van eenzelfde parket". (1)
(1) Cass., 8 mei 1979, Pas., 1979, I, blz. 1058.
Juridisch gezien is dat misschien een goede uitleg maar zulks neemt niet weg dat het in ruime mate om een fictie gaat. In de praktijk brengt het beginsel van de ondeelbaarheid van de leden van het openbaar ministerie zeer vaak met zich dat een hele reeks substituten zich achtereenvolgens met dezelfde zaak bezig gaan houden, wat natuurlijk niet bevorderlijk is voor de continuïteit. Een frappant voorbeeld daarvan was het dossier Loubna waarbij, uiteraard wegens het gerechtelijk reces, drie substituten elkaar in minder dan een maand tijds opgevolgd hebben. Het resultaat daarvan was niet dat het dossier ter hand genomen werd maar wel dat het simpelweg in de lade werd gestopt. Toen de ene substituut het dossier moest doorspelen aan de andere, was het letterlijk zoek geraakt. Ook het spoor Patrick D. spreekt in dat verband ongelukkig genoeg boekdelen. De politie van Elsene deelt de informatie in de namiddag van vrijdag 14 augustus 1992 mee aan de substituut van de procureur des Konings. Op 17 augustus 1992 werd een andere substituut met het dossier belast zonder dat hem de minste uitleg gegeven werd over de nodige onderzoeksverrichtingen. Geen continuïteit bij de materiële aanpak van het dossier, geen continuïteit bij de intellectuele benadering ervan en bij de bezorgdheid om het onderzoek te doen opschieten.
b) Een zwakke interne organisatie
De organisatie van een parket zou heden ten dage althans in de grote steden moeten beantwoorden aan de voorschriften die gelden op het gebied van het moderne bedrijfsmanagement. Bovendien moet het parket zich, afhankelijk van het voorwerp zelf van het onderzoek, kunnen aanpassen en inspelen op de huidige sociologische, politionele en strafrechtelijke gegevens.
Uit het onderzoek van de onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de interne organisatie van de parketten niet is meegeëvolueerd met de noden die zich in het werkveld stellen. Het ontbreken van elementaire logistieke ondersteuning (onder andere de informatisering) werkt negatief in op het structureren en organiseren van het werk, temeer daar de opdrachten die naar de parketten worden toegeschoven de afgelopen jaren indrukwekkend zijn toegenomen.
Inzonderheid in een groot parket als Brussel laten de lacunes op organisatorisch vlak zich scherp voelen. Bij afwezigheid van enig management en van een noodzakelijke logistieke ondersteuning is het voor de korpschef vooralsnog uiterst problematisch om zicht op zaken te houden, laat staan een beleid te ontwikkelen.
In het parket van Charleroi kampt de korpschef met heel wat problemen. Naast een jaren in stand gehouden deficiënte organisatie en afwezigheid van een echte leiding, wordt men er geconfronteerd met de gevolgen van een niet-invulling van de functie van de korpschef gedurende nagenoeg een jaar. Bovendien ondervindt dit parket, meer dan andere, de gevolgen van een manifeste aanwezigheid van een georganiseerde misdaad in de regio, parallel met de uiterst problematische sociaal-economische toestand van de regio. Een en ander resulteert in normvervaging bij bepaalde politie- en justitieambtenaren. Dit punt wordt verder nog uitgewerkt.
Er rijzen bijgevolg vragen zowel inzake de efficiëntie van de instelling als wat haar legitimiteit betreft. Als het om het instellen van vervolgingen gaat wordt de doeltreffendheid van de actie van het parket gehinderd door voorschriften die bijna verlammend werken. Dwingende verplichtingen in termen van (onbeduidende) middelen, in termen van opleiding (onbestaande), in termen van motivering (traditie) en termen van gezag (hiërarchie). In rechte moet het parket het politieonderzoek coördineren en leiden; in feite wordt het er vaak door gedomineerd.
c) Prioriteiten in de onderzoeken
In de lijn van de vorige opmerking kan men er niet meer omheen dat bij de behandeling van de dossiers keuzen moeten worden verricht. De commissie heeft de procureurs des Konings al te vaak en wellicht terecht horen klagen over de aanzwellende stroom van nieuwe dossiers. Een perfecte controle is irrealistisch, met name vanwege de omvang van de dossiers en zij heeft vaak tot gevolg dat er helemaal niets meer gecontroleerd wordt. In dat verband dient er aan te worden herinnerd dat het openbaar ministerie in het raam van de opportuniteit van de vervolgingen die het moet instellen, keuzen moet doen en de zaken moet schiften. In strafzaken is dat een vereiste waar maar al te vaak nooit van gerept werd. De analyse van de regeling op het stuk van de strafrechtsbedeling toont immers duidelijk aan dat alle parketten de zaken selecteren en dat is vooral het geval op politioneel niveau. Niet alle geconstateerde feiten en niet alle ingediende klachten worden door het gerecht geregistreerd. Interne gebruiken die nu eens op efficiëntielogica en dan weer op het persoonlijk oordeel van de politieambtenaren steunen zijn er de oorzaak van dat de informatiestroom gefilterd wordt. Zo wordt het strafrechtelijk systeem vaak voorgesteld als een trechter met opeenvolgende filters.
Men moet echter vaststellen dat het openbaar ministerie die selectie altijd als een randverschijnsel heeft beschouwd. Indien de parketten er blind voor blijven komen zij terecht in een impasse die zij zelf veroorzaakt hebben en zullen zij overvleugeld worden door de politiediensten. Die opmerking mag misschien irrelevant lijken, maar zij brengt ons terug naar de kern van de onderzoeken naar de verdwijningen van kinderen : het parket zegt dat zijn taak bemoeilijkt wordt door het groot aantal geschillen. Gelet op de opdrachten van het openbaar ministerie is dat bezwaar niet relevant. Het parket moet beslissen wat prioritair is en waar het zijn energie wil aan besteden.
d) Een actieradius territoriaal beperkt tot het eigen arrondissement
Uit het onderzoek van de onderzoeken is gebleken dat de parketten niet alleen vanuit juridisch oogpunt maar ook in de praktijk beperken tot het eigen arrondissement.
Een aantal opvallende voorbeelden schragen deze vaststelling :
In het dossier Julie en Mélissa nam het parket Charleroi op geen enkel ogenblik contact met het parket Luik, niettegenstaande ze in meerdere fasen van het onderzoek daartoe een directe aanleiding hadden.
In het dossier An en Eefje overwoog het parket Brugge nooit om zich te wenden tot andere parketten die eveneens geconfronteerd werden met andere onrustwekkende verdwijningen.
In het dossier Sabine werden het parket en de onderzoeksrechter op een gegeven moment in kennis gesteld van het feit dat tegen de potentiële verdachte M. Dutroux in Charleroi een onderzoek had gelopen. Niettegenstaande men in die fase van het onderzoek nagenoeg over geen valabel spoor beschikte werd nooit overwogen om het parket Charleroi te contacteren.
Ook in het dossier Benaïssa nam het parket van Brussel nooit contact op met andere parketten.
e) De afwezigheid van informatieuitwisseling tussen de parketten
Zonder enige twijfel het meest schrijnende voorbeeld van het gebrek aan informatieuitwisseling tussen de parketten in het onderzoek van de onderzoeken situeerde zich in Charleroi. Van bij het begin van de actie Othello tot en met het afsluiten ervan, hebben de opeenvolgende parketmagistraten en ook de onderzoeksrechter talrijke gelegenheden laten voorbijgaan om het parket van Luik en/of onderzoeksrechter Doutrèwe in kennis te stellen van de vermoedens die wogen op M. Dutroux. Deze waren trouwens de reden voor de observatieactie tegen M. Dutroux. Evenzo werden, op verschillende tijdstippen, de parketten van Mons, Charleroi en Doornik in kennis gesteld van de verdachte handelingen in verband met de witte Mercedessen. Geen enkele van deze parketten heeft deze informatie aan een ander, eventueel geïnteresseerd parket overgemaakt.
Een van de hoofdredenen voor het sterk op het eigen arrondissement gericht zijn van de parketten is het ontbreken van een cultuur van informatieuitwisseling tussen de parketten onderling. Er zijn natuurlijk uitzonderingen zoals ook is gebleken uit het onderzoek van de onderzoeken. Een structurele hinderpaal is zonder enige twijfel het nog niet gerealiseerd zijn van de informatisering van de parketten.
f) De parketten werken teveel case-gericht en te weinig organisatie-gericht
- Ook dit punt hangt samen met de vorige. Een parket wordt gevat voor een dossier en werkt vervolgens dat dossier af. De aandacht blijft beperkt tot het misdrijf dat werd gepleegd en tot de daders die al dan niet gekend zijn.
De fout die wordt gemaakt is dat men te weinig oog heeft voor de criminele structuren en organisaties die achter concrete strafrechtelijke feiten schuilgaan. Bepaalde van die feiten kunnen banaal zijn, maar als men vaststelt dat ze op een systematische wijze worden gepleegd over meerdere gerechtelijke arrondissementen heen, kunnen ze wijzen op een organisatie die criminele structuren uitzet. Deze vaststelling werd eerder reeds gemaakt door de Parlementaire Onderzoekscommissie Mensenhandel in verband met de netwerken die vrouwenhandelaars uitzetten om de vrouwen te exploiteren. In de voorliggende onderzoeken heeft men bij diverse gelegenheden zich blind gestaard op het al dan niet voorhanden zijn van een strafbaar feit, in plaats van oog te hebben voor gedragingen die samen genomen wel konden wijzen op een criminele organisatie.
* Zo heeft men in het gerechtelijk arrondissement Charleroi, maandenlang geprobeerd om M. Dutroux te betrappen op het plegen van een heterdaadmisdrijf. Maanden werd er gezocht naar een aanleiding -lees een misdrijf - om bij M. Dutroux een huiszoeking te kunnen doen om bepaalde beweringen van informanten hard te kunnen maken. Er is daardoor niet alleen veel kostbare tijd verloren gegaan, men had bovendien die periode veel beter kunnen aanwenden door de activiteiten van M. Dutroux en zijn handlangers in een mogelijk organisatorisch perspectief te plaatsen.
Uit de tijdslijn die onder meer over voormelde periode recent werd opgemaakt, kan worden geconcludeerd dat zowel de verplaatsingen van M. Dutroux en zijn handlangers naar Slowakije als hun geldverrichtingen, konden wijzen op vrouwenhandel waarbinnen ook onrustwekkende verdwijningen van kinderen konden worden gesitueerd.
* Eveneens in het onderzoek van M. Dutroux is er de opvallende brief die de moeder van Dutroux in september 1995 aan onderzoeksrechter Lorent stuurde. Hierin maakt ze melding van verdachte bewegingen 's nachts in de woning van Dutroux waarbij jonge meisjes werden binnen- en buitengebracht.
De betrokken onderzoeksrechter heeft deze informatie niet nuttig of relevant beoordeeld voor zijn eigen onderzoek en ze aan het parket overgemaakt. De onderzoeksrechter maakte niet de "déclic" naar de verdwijning van An en Eefje. De parketmagistraat kwam evenmin op de idee om de informatie door te spelen naar het parket van Brugge.
* Een ander voorbeeld vormen de verklaringen die, op meerdere plaatsen en gespreid over meerdere gerechtelijke arrondissementen, werden afgelegd over witte mercedessen en verdachte handelingen (onder andere fotograferen van jonge meisjes) rond scholen.
Deze informatie werd op meerdere tijdstippen door een alerte politiefunctionaris aangeboden aan diverse politiediensten en parketten. Er is nooit iets zinnigs mee aangevangen omdat men er ofwel geen strafbare feiten in zag of oordeelde dat het om louter geruchten ging zonder dat men zich de moeite troostte om een en ander ernstig na te trekken. Ook dit had het begin kunnen zijn van een ernstig spoor naar een criminele organisatie die misschien eveneens te maken had met de onrustwekkende verdwijningen.
- Men kan zich verwonderen over de oppervlakkigheid waarmee parketten en onderzoekers in deze onderzoeken soms zijn omgesprongen met informatie die hen werd toegestuurd. Temeer daar het in een aantal gevallen onderzoeken betrof die nagenoeg op een dood spoor zaten en voor wie elke bijkomende informatie minstens het natrekken waard was.
Het is niet eenvoudig een plausibele verklaring hiervoor te vinden. In een aantal gevallen is er inertie of een verkeerde interpretatie. Belangrijker lijkt echter het ontbreken van een cultuur en bijhorende structurering van de informatieuitwisseling. Wie eventueel met kwade bedoelingen informatie wenst achter te houden hoeft in deze context en met deze werkwijze geen bijzondere inspanning te leveren.
g) Een receptief-reactieve opstelling
In het licht van voorgaande vaststellingen worden de parketten gedwongen tot een receptief-reactieve opstelling. De gevolgen laten zich voelen op volgende vlakken.
* De parketten ondergaan teveel het opsporingsonderzoek. In het beste geval denkt men mee met de politiediensten over mogelijke onderzoeksopties, maar vaak worden door de politiediensten geïnduceerd kantschriften afgeleverd en beperkt men zich tot de controle van de legaliteit van bijvoorbeeld het aanwenden van de bijzondere opsporingsmethoden.
* Er stellen zich in de huidige stand van de wetgeving en gegeven de reële mogelijkheden van de parketten, ernstige problemen rond de begeleiding van de pro-actieve opsporingsmethodes.
Deze laatsten zijn onderzoeksmatig een absolute noodzaak geworden zeker bij de bestrijding van georganiseerde vormen van criminaliteit.
Vanuit rechtstatelijk oogpunt, in het kader van de rechtsbescherming van de burgers, vereisen ze een direct justitieel toezicht en controle. De parketten zijn de aangewezen instanties om hiervoor in te staan.
In het onderzoek van de onderzoeken, los van de discussie of ze kaderden in een proactief onderzoek, is naar aanleiding van de observatieacties Décime en Othello, gebleken dat het parket Charleroi absoluut tekort is geschoten in het houden van toezicht en controle op de observatieacties. Dit was niet zozeer een gevolg van individuele tekortkomingen dan wel van een ondoeltreffende organisatie van het parket (wat Othello betrof in de periode van het interregnum) waarbij parketmagistraten elkaar opvolgden zonder dat de zaken behoorlijk werden overgedragen en opgevolgd.
* Zowel voor de bijzondere opsporingstechnieken in het algemeen als voor de proactieve recherche in het bijzonder geldt dat het niet volstaat om een duidelijke wetgeving of klare richtlijnen uit te vaardigen, maar dat het toezicht en de controle staat of valt met de wijze waarop deze worden ingevuld.
3. De inbreng van de parketten-generaal
- In het onderzoek van het onderzoek is algemeen genomen tot uiting gekomen dat de parketten-generaal, veel meer nog dan de parketten zelf, ver af staan van het probleem- en het werkveld. Het toezicht van de parketten houdt meer in dan het opvolgen van dossiers. Zij staan in voor het toezicht op de organisatie en de werking van de parketten.
Op zich is enige afstand best verdedigbaar omdat dit in principe moet toelaten om boven de gerechtelijke arrondissementen heen aan beleidsontwikkeling te doen en de parketten te begeleiden en te ondersteunen in hun werkzaamheden.
Wat het laatste punt betreft dient aangestipt dat het parket-generaal toezicht houdt op de wijze waarop de individuele dossiers worden opgevolgd. Artikel 136bis van het Wetboek van Strafvordering biedt aan de procureur-generaal de mogelijkheid om opvolgingsverslagen te vragen.
In het dossier Benaïssa lijkt dit in elk geval niet gebeurd te zijn. In dit dossier is overigens nooit een onderzoeksrechter gevorderd zolang het parket Brussel erover beschikte.
In het dossier An en Eefje werden geen opvolgingsverslagen op basis van artikel 136bis gemaakt maar het parket-generaal werd wel regelmatig op de hoogte gehouden van het verloop van het onderzoek.
In het dossier Julie en Mélissa werd het parket-generaal van Luik wel op de hoogte gehouden van het verloop van het Luikse onderzoek maar hetzelfde gebeurde niet met het luik Charleroi van het onderzoek. Van de observatieacties en de huiszoekingen tegen M. Dutroux werd het parket-generaal van Mons niet in kennis gesteld. Evenmin werd melding gemaakt van de aanhouding en van de opsluiting van M. Dutroux. Nochtans had procureur-generaal Demanet indertijd een zeer negatief advies gemaakt over M. Dutroux en was de procureur des Konings van Charleroi in 1985 tussengekomen als openbaar ministerie in het toenmalig verkrachtingsdossier tegen M. Dutroux. Men kan in deze bezwaarlijk het parket-generaal van Mons ten kwade duiden dat men niet heeft gereageerd naar aanleiding van de gebeurtenissen van december 1995. Zij waren immers niet op de hoogte. Het is een voorbeeld van verkokering en van gebrekkige informatieuitwisseling intern het parket van Charleroi en ook tussen het parket van Charleroi en het parket-generaal van Mons.
- Afgezien van artikel 136bis waarover de procureur-generaal beschikt, ontbreken gestructureerde informatieuitwisselingskanalen tussen het parket-generaal en de parketten intern het ressort. Bepaalde procureurs-generaal brengen periodiek de korpschefs van het parket wel samen maar deze periodieke bijeenkomsten zijn eerder beleidsafstemmend van aard en niet geschikt om aan informatieuitwisseling te doen. Nochtans is dit laatste essentieel niet alleen om het toezicht van het parket-generaal in concrete dossiers mogelijk te maken maar onder meer ook om de informatieuitwisseling en de samenwerking tussen de parketten onderling te stimuleren.
Het is duidelijk dat de afwezigheid van een behoorlijke informatica een vlotte informatieuitwisseling in de weg staat en de mogelijkheid van het parket-generaal om te sturen naar de parketten toe in de weg staat.
4. De nationale magistraat
Het ambt van nationale magistraat werd ingesteld bij een ministeriële richtlijn van 25 april 1990 houdende aanstelling tot nationaal magistraat van een magistraat van het openbaar ministerie, lid van een parket-generaal of van een bij een parket-generaal met een opdracht belast lid van een procureur des Konings. De aangevoerde reden is "de dringende noodzaak om het speurwerk, de onderzoeken en de vervolgingen betreffende bepaalde vormen van zware misdadigheid te coördineren en te centraliseren".
De opdracht van de nationale magistraat is tweevoudig. Hij moet enerzijds zorgen voor de coördinatie van het speurwerk en van de onderzoeken in verband met de aangelegenheden waarin voorzien bij artikel 1,§ 1, 2ø van het koninklijk besluit van 20 april 1987 betreffende "alle misdaden en misdrijven die nationale of internationale afmetingen kunnen aannemen". Anderzijds moet hij zorgen voor de centralisatie van het speurwerk en van de onderzoeken door aan de procureurs des Konings adequate voorstellen en aanbevelingen te doen en in te grijpen als er conflicten rijzen in de aangelegenheden waarvoor verschillende rechtscolleges bevoegd zijn. Ten slotte moet hij de procureurs des Konings adviseren en hen bijstaan.
In de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren kan de nationale magistraat optreden, hetzij op verzoek van de procureur des Konings en eventueel op dat van de onderzoeksrechter, hetzij op eigen initiatief maar dan wel met de verplichting om er de bevoegde procureur-generaal(s) van te verwittigen.
De nationale magistraat had dus alleszins zijn bevoegdheid mogen uitoefenen in het raam van de onderzoeken naar de ontvoeringen van kinderen, want in casu zijn de beide voorwaarden verenigd zijn, met name onderzoeken die zich afspelen in verschillende rechterlijke arrondissementen en die te maken hebben met zware misdadigheid. Hij had onder meer kunnen optreden in het raam van de operatie Othello die precies de mensenhandel betrof. Waarom werd de nationale magistraat niet aangezocht of is hij niet op eigen initiatief opgetreden ?
De rol die de nationale magistraat in die onderzoeken effectief had kunnen spelen dient echter gerelativeerd te worden. Er werden slechts twee nationale magistraten aangesteld en die beschikken over niet meer dan twee administratieve personeelsleden. Men ken zich afvragen wat voor zin een instelling heeft die het met zo'n krappe middelen moet zien te rooien.
5. De onderzoeksrechter
a) De onderzoeksrechter is een rechter
Hij is zelfs rechter bij de rechtbank van eerste aanleg en die keuze steunt op het principe van de scheiding van de vervolging en van het onderzoek: het openbaar ministerie is met de vervolging belast en de onderzoeksrechter met het onderzoek (artikelen 44, 47, 53, 54, 60, 64, 1e lid van het Wetboek van strafvordering).
Dat principe wordt evenwel ontzenuwd doordat voor de meeste zaken tegenwoordig geen onderzoeksrechter meer wordt aangesteld en dus slechts een voorafgaand opsporingsonderzoek plaatsvindt. De redenen waarom het onderzoek achterwege blijft zijn van diverse aard. Aan de ene kant roept het parket het feit in dat de onderzoeksrechters te veel werk hebben en dat het dus liever zelf het opsporingsonderzoek uitvoert waarbij de onderzoeksrechter slechts pro forma aangezocht wordt met het oog op een beschikking tot correctionalisering van de Raadkamer. Op hun beurt nemen de onderzoeksrechters steeds vaker hun toevlucht tot het procédé van de opdrachten, wat er uiteraard toe bijdraagt dat het beginsel van de scheiding van de vervolging en van het onderzoek verzwakt wordt. In de praktijk constateert men dus een spiraalbeweging : enerzijds wil de politie het parket overvleugelen en aan de andere kant wil dat parket de baas spelen wat het onderzoek betreft. De versterking van de bevoegdheden van het openbaar ministerie, die gepaard gaat met een diversifiring van de opdrachten ervan, is een realiteit waar men steeds meer rekening mee moet houden. Er rijst dan ook een cruciaal probleem met name dat van de controle op die macht die in de huidige stand van zaken alleszins ontoereikend is.
b) Taak van de onderzoeksrechter
De onderzoeksrechter heeft tot taak de bewijzen te verzamelen en de daders te vinden. De onderzoeksrechter wordt aangezocht door het parket en als zijn taak volbracht is stuurt hij het dossier terug naar het parket. Bij de uitoefening van zijn opdracht moet de onderzoeksrechter op het terrein het werk van de diverse politiekorpsen coördineren.
Voor de commissie is gezegd dat de normale wijze van communicatie van de onderzoeksrechter de apostille is waarmee hij zijn vergaderingen of ontmoetingen inventariseert en zijn beslissingen meedeelt aan de speurders. Zoals we hebben vastgesteld, is dat niet de beste manier om informatieuitwisseling te bevorderen.
Het te grote werkvolume waaraan de onderzoeksrechters het hoofd moeten bieden is een kwestie waarop in de commissie herhaaldelijk attent gemaakt werd, hoewel de gegeven cijfers moeilijk vergelijkbaar zijn. Te Namen zou een onderzoeksrechter jaarlijks gemiddeld 270 zaken te behandelen krijgen, terwijl in het kabinet van zijn Brusselse collega medio december reeds 480 dossiers geteld werden. Te Luik heeft Mevrouw Doutrewe in 1993 221 dossiers, in 1994 258 en in 1995 183 dossiers beheerd. In een persmededeling maakt een groep Antwerpse onderzoeksrechters gewag van 300 dossiers per jaar. Te Luik zou het jaarlijks gemiddelde 250 dossiers bedragen. Naast die vrij aanzienlijke verschillen is er het feit dat de rekeneenheid niet duidelijk is aangezien de enen van dossiers spreken en de anderen het over notities hebben.
6. Te weinig middelen
Onder de kwesties waar zowel de magistraten van de zetel als het parket mee geconfronteerd worden, dient uiteraard het alomtegenwoordige probleem van de middelen te worden vermeld. De schaarse middelen van de rechterlijke overheden steken schril af bij de groei van die waarover de politiediensten beschikken.
Wat de deken van de Luikse onderzoeksrechters daaromtrent gezegd heeft is veelbetekenend. In een aan de minister van Justitie gerichte brief wijst de onderzoeksrechter op "de erg slechte kwaliteit van de mappen waarin de strafdossiers opgeborgen worden; die mappen worden van jaar tot jaar dunner en scheuren bij de minste aanraking, hoe goed men ook oplet. Zij zouden kunnen worden vervangen door van ringen voorziene mappen zodat de dossiers niet langer zouden moeten worden samengebonden met koordjes, een systeem dat met veel vindingrijkheid uitgekiend werd en waarbij eenieder gebruik maakt van zijn eigen boormachine". Men kan zijn ogen niet geloven. Een ander voorbeeld heeft betrekking op een verzoek om aankoop van een CDRom-lezer met 2 snelheden tegen de eenheidsprijs van 2 300 francs. De kosten van de briefwisseling die daarvoor gevoerd moest worden lagen veel hoger dan het bedrag dat voor zo'n apparaat gevraagd werd. Het daaromtrent op 19 oktober 1995 door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aan de minister van Justitie gerichte verzoek luidde als volgt : "Ik zou die aankoop graag willen doen en die uitgave financieren via mijn begroting lopende of kleine uitgaven". Op 1 april 1996 was die brief nog altijd niet beantwoord. Een kopie ervan werd vervolgens overgezonden aan de directeur van de dienst informatica bij het ministerie van Justitie. Het antwoord komt op 24 april 1996, dus zes maanden na het eerste verzoek : "Ik heb aan uw brief waarin U om informaticamaterieel verzoekt al mijn aandacht geschonken. Dat verzoek kan echter slechts behandeld worden in het raam van een globaal dossier".
C. De voorbereidende fase van het onderzoek in strafzaken
Wij ontlenen die uitdrukking aan de commissie "Droits et libertés" die in Frankrijk een hervorming van het strafprocesrecht voorgesteld heeft. Zij lijkt ons duidelijker en veelzeggender dan de verschillende uitdrukkingen die wij gebruiken en soms met elkaar verwarren, zoals "voorbereidend onderzoek" of "inleidende fase".
1. De algemene beginselen van het voorbereidend onderzoek
a) Het voorbereidend onderzoek is schriftelijk, geheim en eenzijdig
Deze drie kenmerken van het voorbereidend onderzoek vormen samen een ondeelbaar beginsel. Het onderzoek moet schriftelijk zijn met name omdat het geheim en eenzijdig is. De hele inleidende fase van het strafproces, dat is het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek is een procedure die schriftelijk achter gesloten deuren gebeurt in het kabinet van de onderzoeksrechter of van de gerechtelijke politie. "Dit is een volstrekte noodzakelijkheid want als die mondeling zou zijn zouden de ontwikkeling van het onderzoek en de resultaten ervan niet aan de onderzoeksrechter of aan het vonnisgerecht meegedeeld kunnen worden (1). Men kan zich zoals die auteurs afvragen of "het schriftelijk karakter van dat gedeelte van de procedure geen grondiger onderzoek mogelijk maakt (vergelijking van de verklaringen, enz.) ?".
(1) M. Franchimont, e.a., Manuel de procédure pénale, op. cit., blz. 276; Répertoire pratique du droit belge, vo Procédure pénale, no 273.
In casu worden wij tijdens het verloop van de onderzoeken voortdurend gekonfronteerd met een verdeling en een afbraak van het beginsel.
b) Beginselen met een variabele geometrie
1) De faxberichten en de interne nota's van de rijkswacht
Aan de ene kant beroepen de speurders zich vaak op het geheime karakter van het onderzoek, wat de terechte woede van de families heeft opgewekt voor wat de toegang tot het dossier betreft. Aan de andere kant zijn zij zelf bijna voortdurend afgeweken van het geheime karakter van het onderzoek. Alle faxberichten en alle interne nota's van de rijkswacht zijn van zeer groot belang. De processen-verbaal die een uiterst belangrijke onderdeel van het onderzoek vormen zijn tegenwoordig vervangen door faxberichten en interne nota's die geen sporen nalaten in het dossier en iedere controle verhinderen.
Men moet toegeven dat de voor het voorbereidend onderzoek gehanteerde beginselen nog uit de XIXe eeuw dateren. Inzonderheid wat de processen-verbaal betreft houdt het Wetboek van strafvordering nog geen rekening met de ontwikkeling van de communicatiemiddelen die het doorseinen van de informatie "in reële tijd" mogelijk maakt. Daaruit volgt echter dat het geheime karakter van het onderzoek in de feiten praktisch nooit geëerbiedigd wordt. In sommige gevallen wordt het opgeëist en zulks meer bepaald wat het eenzijdig en niet tegenstrijdig karakter van het onderzoek betreft. In andere gevallen wordt het, vaak door de gerechtelijke overheden zelf ruimschoots met voeten getreden. Welnu, een geheim is van absolute aard of het is geen geheim.
2) Het niet tegensprekelijke karakter van het onderzoek
Dit aspect komt tot uiting in de niet toegankelijkheid van het dossier. Zoals wij het gezien hebben wordt deze aangelegenheid overheerst door tegenstrijdige beginselen en praktijken die de gelijkheid van de partijen niet naar de letter eerbiedigen. Aan de ene kant bestaat het geheim van het onderzoek niet ten aanzien van het openbaar ministerie dat te allen tijde inzag mag nemen van het onderzoeksdossier. Aan de andere kant heeft de burgerlijke partij geen toegang tot dat dossier behalve wanneer de onderzoeksrechter en de advocaat van de burgerlijke partij het op een akkoordje gooien waardoor de burgerlijke partij bepaalde inlichtingen kan bekomen.
Het geval waarbij procureur-generaal Thily verslagen over het onderzoek ter beschikking stelt van de onderzoeksrechter toont duidelijk aan dat het geheim van het onderzoek niet waterdicht is. In principe geldt het geheim van het onderzoek voor die verslagen, die de minister van Justitie had gevraagd met het oog op eventuele tuchtrechtelijke vervolging. Toch achtte procureur-generaal mevrouw Thily dat de onderzoeksrechter kennis kon nemen van die verslagen omdat daarin kritiek werd geuit op die laatste. Men kan niet beter aantonen dat het verzoek om toegang te krijgen tot de dossiers gewettigd en normaal is.
2. Het strafrechtelijk beleid
Het Belgisch strafrechtelijk systeem wordt beheerst door het beginsel van de opportuniteit van de vervolgingen. Het komt dus aan het parket toe om te beslissen welk gevolg zal worden gegeven aan de zaken waarmee het belast wordt. Bij wijze van vergelijking kan men stellen dat in een systeem dat door de wettelijkheid van de vervolgingen beheerst wordt, het parket verplicht is om de zaken met het oog op de berechting ervan aanhangig te maken bij de hoven en de rechtbanken.
Het systeem van de opportuniteit van de vervolgingen impliceert een voorafgaande hypothese met name dat criteria zijn vastgesteld, dat de noodzakelijke keuzen transparant zijn en dat de belangen van alle betrokken partijen geëerbiedigd worden.
De grootste moeilijkheid waarmee wij momenteel geconfronteerd worden, is tweevoudig. Aan de ene kant worden de keuzen waarbij het parket zich bij zijn optreden laat leiden praktisch niet ontwikkeld en a fortiori ons praktisch niet toegelicht. Aan de andere kant kan men redelijkerwijze beweren dat er op dat vlak omzeggens geen gecoördineerd strafbeleid bestaat. Het andere verwijt, dat tegenstrijdig met het eerste kan lijken, maar het per slot van rekening aanvult is het feit dat men de jongste jaren zijn aandacht concentreert op de impliciete keuzen van het strafbeleid die op bepaalde misdrijven gericht zijn, zoals bijvoorbeeld drugs of kleine delinquentie. Het effect van die keuzen komt zeer duidelijk tot uiting op het vlak van de middelen.
Waren de ontvoeringen en verdwijningen van kinderen echt prioriteiten voor het strafrechtelijk beleid van de jongste jaren ? Was er, zonder zelf in termen van prioriteiten te spreken, een gevoeligheid en een bezorgheid voor dat soort misdadigheid ? Wij zouden die opmerking willen concretiseren aan de hand van een zeer eenvoudig voorbeeld. De operatie-Othello speelde zich af te Charleroi in september en oktober 1995 en daarbij werd de groep POSA ingeschakeld die met vrij beperkte observatiemiddelen post gevat had voor de huizen van Dutroux. Vervolgens werden op bijna ambachtelijke wijze in december 1995 huiszoekingen verricht in de diverse eigendommen van Dutroux. Ter vergelijking : in 1996 werd te Charleroi een operatie-Imide gelanceerd die verband hield met drugs, daarbij werden de grote middelen ingezet en werden door zes verschillende ploegen tegelijkertijd zes verschillende huiszoekingsbevelen uitgevoerd. Daarnaast werden zeven teams met het getuigenverhoor belast en waren er nog vier reserveteams. Het document dat de operatie moest opstarten is expliciet en gedetailleerd en er wordt duidelijk gezegd naar welke zaken gezocht moest worden. Er wordt aan herinnerd hoe de actie moet verlopen : vastberaden, snel en menselijk. Er wordt een speurhond ter plaatse gebracht en voor iedere huiszoeking wordt in een briefing en in een debriefing voorzien. De administratie en de logistiek zijn in de puntjes verzorgd (voor het vertrek worden alle voertuigen volgetankt en wordt nagegaan of alle blauwe lichten goed werken). Ieder BOB-lid draagt zijn armband en neemt zijn dienstwapen mee. Iedere teamleider heeft een zaklamp en het nodige materiaal om aanhoudingen te verrichten. Aan het einde van het document worden een tiental telefoonlijnen en semafoonverbindingen aangeduid. Het feit dat dit document volledig en operationeel is bewijst dat aan de operatie veel belang gehecht wordt. In vergelijking daarmee lijken die welke door de politiediensten gebezigd werden als het om ontvoeringen van kinderen ging, onbeduidend. Wij zien hier de concrete consequenties van een keuze van strafrechtelijk beleid.
3. Het opsporingsonderzoek
Het opsporingsonderzoek is "het geheel van de handelingen en maatregelen die tot doel hebben het materiaal te verzamelen dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de strafvordering" (1). Concreet betekent dit dat het parket alvorens te beslissen of het al dan niet de strafvordering zal uitvoeren, moet beschikken over inlichtingen om te weten of het redelijk, nuttig dan wel opportuun is om die vordering in te stellen.
(1) M. Franchimont, Manuel de procédure pénale, op. cit., blz. 199-200.
Hoewel het politioneel onderzoek en het gerechtelijk onderzoek in feite twee verschillende zaken zijn geworden - de politie verricht het speurwerk terwijl de magistraat op basis daarvan het eigenlijk gerechtelijk werk organiseert - mag men niet vergeten dat het onderzoek in rechte geleid wordt door het parket en dat dit ook een verplichting is. Wij hebben helaas moeten vaststellen dat dit niet altijd het geval geweest is.
a) De processen-verbaal
Het proces-verbaal is een akte houdende vaststelling van een misdrijf waarvan een magistraat of een bevoegde ambtenaar getuige is geweest of dat hem ter kennis is gebracht, alsmede het daaromtrent verrichte onderzoek. De leden van de politiediensten geven niet alleen een schriftelijk relaas van de overtredingen die ze hebben vastgesteld, maar ook van de daden die zij in het raam van hun opdracht van gerechtelijke politie hebben gesteld. De processen-verbaal vermelden wat die personen zelf hebben gezien, gehoord en gedaan, en worden bij het strafdossier gevoegd. Ze vormen daarvan trouwens het hoofdbestanddeel (2).
(2) Ibid.
De belangrijkste wetsbepalingen waarin de processen-verbaal worden geregeld, zijn artikel 29 van het Wetboek van strafvordering ("Iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen"), artikel 53 van het Wetboek van strafvordering ("De hulpofficieren van politie zenden de aangiften, processen-verbaal en andere akten, door hen opgemaakt in de gevallen waarin zij bevoegd zijn, onverwijld aan de procureur des Konings, die gehouden is zonder uitstel kennis te nemen van de processtukken en ze met de vorderingen welke hij geraden acht, aan de onderzoeksrechter te doen toekomen.") en artikel 40 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt ("De bij een politieambtenaar van de rijkswacht, de gemeentepolitie of de gerechtelijke politie bij de parketten ingediende klachten of aangiften, alsook de nopens misdrijven verkregen inlichtingen en gedane vaststellingen worden opgenomen in processen-verbaal die aan de bevoegde gerechtelijke overheden worden toegezonden").
De commissie heeft in dat verband tal van tekortkomingen vastgesteld, inzonderheid bij het dossier Julie en Mélissa. Essentiële informatie over de criminele activiteiten van Dutroux werd nooit opgenomen in processen-verbaal.
b) De leiding van het onderzoek
Het parket zal allereerst het onderzoek moeten leiden, wat onder meer impliceertde dat het vrij de speurders kan kiezen. In dat opzicht heeft de commissie kunnen vaststellen dat de parketmagistraten hoegenaamd niet vertrouwd zijn met de realiteit van het politieonderzoek. Een substituut heeft zelfs erkend - men zou haast kunnen zeggen bekend - dat hij absoluut niet weet welke middelen de politiediensten inzetten of over welke hulpmiddelen zij beschikken om huiszoekingen te doen. Dat grenst aan het bespottelijke, wanneer men weet dat de wet op het politieambt bepaalt dat magistraten aan de politiediensten aanbevelingen kunnen doen in verband met de gebruikte middelen. De substituten worden geacht controle uit te oefenen op opsporingsmethodes die ze zelf niet kennen. Een eerste oplossing voor dat probleem wordt onder meer gegeven door de stage die de aanstaande parketmagistraten moeten doormaken, maar men moet wel vaststellen dat het probleem veel dieper ligt en betrekking heeft op de relaties die de parketmagistraten moeten onderhouden met de politiediensten met welke ze moeten samenwerken.
c) Opening van het onderzoek : een merkwaardige paradox
Niet alleen de politiediensten komen in de verleiding om het onderzoek op hun eentje te verrichten, ook het parket kan af en toe niet aan die verleiding weerstaan. De politie heeft de neiging het parket links te laten liggen, maar het parket laat zich zeer vaak ook niet met het gerechtelijk onderzoek in. Dat is een merkwaardige paradox. Terwijl het parket overstelpt wordt met zaken (het aantal geregistreerde dossiers stijgt van jaar tot jaar), neemt het steeds meer hooi op zijn vork. Vaak is het zeer terughoudend om over een zaak een onderzoek te openen. Wanneer het parket een zaak aan een onderzoek onderwerpt, moet het immers in zekere zin het dossier uit handen geven aangezien het er niets meer zal over vernemen totdat het onderzoek is afgesloten.
Bovendien laten de communicatie en de doorstroming van inlichtingen tussen het parket en de onderzoeksrechter al te vaak te wensen over. Ze kennen en miskennen wederzijds bepaalde elementen van het onderzoek. De commissie heeft vernomen dat het parket van Charleroi onlangs een systeem zou hebben uitgewerkt dat een substituut die een onderzoek over een dossier opent, in staat stelt het tot het einde te blijven volgen. Als nieuwe feiten aan het onderzoek moeten worden toegevoegd, is het aldus dezelfde substituut die daarover oordeelt. De substituut is de officiële correspondent van de onderzoeksrechter en diens aanspreekpunt tot op het einde van het onderzoek. Daardoor heeft de substituut die een onderzoek over een dossier opent er meteen ook belang bij contacten met de onderzoeksrechter te onderhouden aangezien hij weet dat het dossier opnieuw bij hem terecht zal komen nadat het onderzoek is afgesloten. Omgekeerd weet de onderzoeksrechter welke substituut met zijn dossier is belast en kan er op die manier een bepaalde dialoog of in elk geval een synergie tussen die twee gerechtelijke instanties ontstaan.
De betrekkingen tussen het parket en het onderzoeksgerecht zijn uiteindelijk problematische betrekkingen die moeten worden gezien tegen de achtergrond van twee verschillende benaderingswijzen. In een minimalistische visie is het parket meester van het onderzoek, terwijl de onderzoeksrechter alleen moet worden gevorderd voor daden die dwangmaatregelen of schendingen van de individuele vrijheid kunnen impliceren (huiszoekingen, telefoontaps enz.). De idee van een rechter van het onderzoek (die controles zou uitoefenen op de onderzoeksdaden die door de politie of het parket zouden worden gesteld) sluit bij die visie aan. In een maximalistische visie moet de onderzoeksrechter met volheid van bevoegdheid de onderzoeksfunctie uitoefenen. Voor sommige onderzoeksrechters is het voordeel van een zaak zo snel mogelijk aan een onderzoek te onderwerpen, dat ze daardoor in staat worden gesteld "in real time" te werken. Ze kunnen meteen, op het terrein, het gehele onderzoek overzien en vermijden dat aanwijzingen verloren gaan of er collusie optreedt tussen de getuigen, wat de eerste zorg is bij de aanvang van een onderzoek.
In de zaak van de ontvoering van Loubna mag redelijkerwijs worden aangenomen dat, indien in die zaak een onderzoek was geopend, de onderzoeksrechter noodzakelijkerwijze alle sporen had kunnen of moeten controleren en met name het spoor dat door de politie van Elsene werd aangebracht en naar P. Derochette leidde. Dat in dat dossier geen onderzoek is geopend kan een nefaste invloed hebben gehad op de wending die het dossier heeft genomen aangezien daardoor de verrichting van een aantal onderzoeksdaden werd belet, met name doorzoekingen waarvan de gemeentepolitie voor de commissie heeft gezegd dat ze iets volkomen anders zijn dan huiszoekingen.
Bovendien heeft het parket-generaal, in het verlengde van die leidinggevende bevoegdheid, de bevoegdheid om te controleren hoe de dossiers worden opgevolgd (artikel 136bis van het Wetboek van strafvordering).
4. Het gerechtelijk onderzoek
De onderzoeksrechter voert het onderzoek ten laste en tot ontlasting en verricht zijn onderzoek naar eigen goedvinden. Op de betrekkingen van de onderzoeksrechter met de speurders kunnen alle opmerkingen worden toegepast die we in verband met het parket hebben geformuleerd. De onderzoeksrechter kiest vrij de speurders die hij met het onderzoek zal belasten. Dat impliceert noodzakelijkerwijs dat de onderzoeksrechter de politiediensten en de tot hun beschikking staande middelen grondig kent. Dat impliceert evenzeer degelijk opgeleide en goed gemotiveerde onderzoeksrechters die in staat zijn een onderzoek te leiden en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden op zich te nemen.
In de betrekkingen van de onderzoeksrechter met de politiediensten (inzonderheid de rijkswacht) is het scenario gelijklopend wat betreft de onderzoeksrechter van Charleroi (1993 en 1995) en die van Luik (1995-1996). De speurders houden staande dat zij inlichtingen hebben meegedeeld, maar dan alleen mondeling. De onderzoeksrechters betwisten dat ze op de hoogte werden gebracht. In iets genuanceerder bewoordingen : de eersten verstrekken bepaalde gegevens die de tweeden in staat stellen op de hoogte te zijn zonder evenwel grondig te zijn ingelicht. Zoals een getuige het stelde "men geeft een klein stukje zonder in het spel mee te gaan". Gedeeltelijke, vaak mondelinge toelichtingen stellen de politiedienst in staat "de onderzoeksrechter bij de zaak te betrekken zonder hem echt waardevolle gegevens door te spelen". Aldus wordt het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering formeel in acht genomen.
De toestand is wellicht nog complexer. In de informatie-uitwisseling tussen de onderzoeksrechter van Luik en de rijkswachters over het spoor-Dutroux, heeft het verschil in benaderingswijze betrekking op de aard zelf van het onderzoek. De onderzoeksrechter voert aan dat de inlichtingen die zij ontving haar in het ongewisse lieten over het belang van dat spoor, terwijl de rijkswachters het tegendeel beweren. Enerzijds moeten rijkswachters zich ertoe verbinden volledig en loyaal mededeling te doen van gegevens. Anderzijds moet de onderzoeksrechter actief optreden en van scherpzinnigheid getuigen en zich er niet altijd toe beperken te wachten tot men haar met de neus op de feiten drukt.
D. Twee aanvullende wetten op het Strafwetboek
1. De wet tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers
a) Een veiligheidsmaatregel
De wet tot bescherming van de maatschappij maatschappij dateert van 9 april 1930 en werd gewijzigd bij wet van 1 juli 1964.
De internering is een beveiligingsmaatregel - geen straf - die kan uitgesproken worden door een onderzoeksgerecht of door een vonnisgerecht ten aanzien van een persoon die een misdaad of een wanbedrijf heeft gepleegd en op het ogenblik van de berechting verkeert "hetzij in een staat van krankzinnigheid, hetzij in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid die hem ongeschikt maakt tot het controleren van zijn daden en bovendien in een staat van sociale gevaarlijkheid is" (artikel 1).
De internering kan worden voorafgegaan door de inobservatiestelling. Dit is een onderzoeksmaatregel van max. zes maand waartoe kan worden beslist door de raadkamer of door het vonnisgerecht en die doorgaans wordt doorgevoerd in de psychiatrische afdeling van een strafinrichting.
De internering is een maatregel van onbepaalde duur die bedoelt de betrokkene te verzorgen met het oog op zijn genezing en resocialisatie.
Het is de commissie tot bescherming maatschappij die over de duur en het verloop van de internering beslist.
Artikel 20 bepaalt dat indien de commissie tot bescherming van de maatschappij beslist tot een invrijheidstelling op proef, de geïnterneerde onder een sociaal-geneeskundige voogdij wordt geplaatst. De commissie tot bescherming van de maatschappij bepaalt tevens voor hoe lang en op welke wijze de voogdij zal worden uitgeoefend. Een geïnterneerde die de voorwaarden niet nakomt kan op vordering van de procureur des Konings in een psychiatrische afdeling worden opgenomen.
Artikel 20bis (ingevoerd door de wet van 13 april 1995) stelt dat het advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van sexuele delinquenten vereist is voor de invrijheidstelling van ieder die geïnterneerd is wegens feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 386ter van het Strafwetboek, en gepleegd op de persoon van een minderjarige of met zijn deelneming.
b) De psychiatrische expertise
In dit verband stellen zich problemen rond de vragen die aan de psychiater worden voorgelegd, de mogelijkheden die de strafwet voorziet en de wijze waarop wordt voorzien in een behandeling.
1) De vraagstelling inzake de vatbaarheid voor toerekening
De vragen die aan de psychiatrisch deskundige worden voorgelegd laten onvoldoende ruimte voor nuancering. De psychiatrische wetenschap laat niet toe om het menselijk individu in te delen in absoluut toerekeningsvatbaar en niet. De psychiatrie is geen exacte wetenschap. Hetzelfde kan gezegd worden van de prognose inzake de sociale gevaarlijkheid.
Het valt op dat de drie psychiatrisch deskundigen die P. Derochette onderzochten tot een verschillende diagnose en prognose nopens de sociaal gevaarlijkheid van betrokkene kwamen. Ze hadden eveneens een divergerende opvatting over de wijze waarop het strafrechtssysteem diende te reageren. Een psychiatrisch deskundige sprak zich uit voor de internering van P. Derochette. Hij steunde zich hiervoor op de psychopatische persoonlijkheid van betrokkene en was de mening toegedaan dat de betrokkene een gevaar opleverde voor de samenleving. Een andere psychiater toonde zich voorstander van een effectieve straf gevolgd door een gedwongen behandeling. Voor hem was betrokkene een niet rijpe persoonlijkheid met pedofiel perverse neigingen. Een derde psychiatrisch deskundige die optrad op vraag van de raadsman van P. Derochette was voorstander van een psychiatrische begeleiding van Derochette.
2) De mogelijkheden die het strafrechtssysteem in casu biedt
Deze zijn uiterst beperkt. Ofwel wordt besloten tot de toerekeningsvatbaarheid op het ogenblik van de berechting en dan wordt de in de strafwet voorziene straf toegepast. Ofwel is de strafrechter (onderzoeksgerecht of vonnisgerecht) de mening toegedaan dat de betrokkene niet toerekeningsvatbaar is en wordt hij geïnterneerd. De combinatie van straf gevolgd door een behandeling is in het Belgisch strafrechtssysteem niet mogelijk.
3) De wijze waarop wordt en werd voorzien in een behandeling
De behandelingsmodaliteiten in de instellingen voor sociaal verweer stellen bitter weinig voor. De faciliteiten daartoe zijn absoluut ontoereikend. Precies om te voorzien in een psychiatrische begeleiding van P. Derochette liet de commissie tot bescherming van de maatschappij, bij toepassing van artikel 20 van de wet op het sociaal verweer van 1 juli 1964, Derochette op de proef vrij. Er werd voorzien in een sociaal-geneeskundige voogdij van minimum drie jaar.
De psychiatrische begeleiding werd opgenomen door de psychiater die P. Derochette had bijgestaan in zijn verzoek om op proef in vrijheid te worden gesteld. De sociale begeleiding werd opgenomen door het centrum waar de betrokken psychiater aan verbonden was en is.
Rekening houdende met de divergerende opvattingen van de psychiatrisch deskundigen stelt zich de vraa